Carla en Ramona

Dit stukje is opgemaakt als een gedicht, maar laat je daardoor niet bedotten. Het is gewoon een verhaaltje. Ramona had dikke bovenbenen. Carla vond dat geen probleem. Ze nam Ramona op schoot en wiegde haar en wiegde haar totdat ze daarvan kramp in haar eigen benen kreeg. Ramona huilde veel. De tranen liepen in smalle stroompjes over haar gezicht. Met haar tong likte ze het snot uit het gootje in haar bovenlip. En Carla had papieren zakdoekjes die ze staand op een stoel één voor één omlaag liet dwarrelen. Tot de vloer ermee bedekt was. Met Ramona aan de wijn. … Lees verder Carla en Ramona

Val

Op een dag struikelde ik op mijn werk bij het afdalen van de trap en kletterde met mijn hoofd op de plavuizen. Anne-Wil, de receptioniste, was er het snelst bij. Haar hakken tikten kordaat op de vloer. In mijn val was ik een halve slag gedraaid, zodat ik kon zien hoe ze zich over me heen boog. Eerst stond haar gezicht nog ernstig maar al snel begon het te trillen. De mondhoeken trilden, de kin trilde, alles trilde om het proesten in bedwang te houden dat enkele seconden later doorbrak en zich zelfs ontwikkelde tot een luide schaterlach. Ze lachte … Lees verder Val

Paté

Dit verhaal verscheen in Op Ruwe Planken 11.1, dat gisteren gepresenteerd werd tijdens het Wintertuinfestival. Het omslag is van Eva Mouton, en dat is niet het enige gruwelijke… Deze vrouw is ontevreden. Ze rijdt over de brug op een fiets die kreunt onder haar gewicht. Op de brug heeft zij vanmorgen al zes hardlopers gezien. Hun tanige lichamen sneden als messen door de koude lucht, hun schaduwen vielen door de reling van de brug op het water. Deze vrouw gruwt van de stoterige adempufjes waarmee het rennen gepaard gaat. Daar komt weer een tweetal. Kijk, het gemak waarmee zij hun … Lees verder Paté

Bernard

Bernard denkt aan al die keren dat hij achteraan heeft gestaan in de kantine. Aan dat de dienbladen op waren en dat hij de hete soep in zijn linkerhand moest dragen en een bord met boterhammen in de rechter. Aan dat hij dan toch nog één of twee keer terug moest lopen. Voor: •    de karnemelk, •    de citrusvrucht, •    servetten, •    bestek •    en beleg. •    Soms een bakje salade, •    een gekookt ei •    of een kroket. De gedachte aan dit structurele gebrek aan voldoende dienbladen helpt Bernard om zich boos te maken. Ja, nu zal hij het … Lees verder Bernard

Jeuk

Dit verhaal schreef ik tijdens Waai. ‘Je moet niet schrikken’, zei de man, ‘als ik het nu ineens uit zou schreeuwen. Bijvoorbeeld van vreugde.’ ‘Ik zal het proberen’, zei ik. We liepen langs een kleine beek. Hoewel we in de stad waren was het stil. Er waren wandelaars en soms een hond. ‘Niet om ’t een of ander,’ zei ik, ‘maar waar gaan we naartoe?’ De man haalde zijn schouders op, stopte bij een struik en trok een dorre tak uit de bladeren die hij met een boog in het water gooide. Een fietser haalde ons in. Hij droeg een … Lees verder Jeuk

Lange tanden

‘Excuseer,’ zegt de man met de lange tanden, ‘ik moet er voorbij en wel nu.’ We doen een stap opzij en hij perst zich langs de rij. Zijn winkelwagentje botst tegen onze kuiten en schenen. ‘Foei!’ roept een mevrouw met een dikke sjaal. ‘Kunt u niet op uw beurt wachten?’ ‘Nee’, snauwt de man en veegt met een wild gebaar zijn haar uit zijn ogen. Wij zijn pylonen op het geblokte speelveld dat de supermarktvloer is. We wachten tot iemand ons oppakt en een paar vakjes naar voren schuift. Deze speler die uit de band springt en haast heeft zonder … Lees verder Lange tanden

Friesland

Dit verhaal schreef ik voor het programmaonderdeel ‘De Uitvreters’ van het UITfestival in Nijmegen. Rudolf hangt lusteloos aan tafel. In zijn broekzakken zitten 20 knikkers die hij rond laat draaien met zijn vingers. Vader heeft gekookt; slappe spaghetti die bleek in de borden ligt. Moeder draait er rolletjes van met haar vork. ‘Ik heb het gevoel dat ik iets vergeten ben’, zegt vader. ‘De saus’, zegt moeder. ‘Ach ja’, zegt vader. Dan kijkt hij op de klok. ‘We moeten gaan,’ roept hij verschrikt uit, ‘anders missen we de film! Rudolf, eet je bord leeg.’ Maar Rudolf schudt zijn hoofd en … Lees verder Friesland

Mooi

Ons huis heeft één kleine spiegel en een weegschaal is er niet. Als je me vraagt hoe je eruitziet zeg ik: ‘Mooi’. Je haalt je schouders op, gelooft me en wij leven vredig verder. ‘Staat dit bij dit?’ vraag je, en wijst delen van je lichaam aan. ‘Je neus past goed bij je knieën’, zeg ik, ‘en je haar past bij je handen.’ ‘Jouw tanden mogen er anders ook wezen’, zeg je. ‘Ja, maar ze passen nergens echt bij’, zeg ik. ‘Welnee,’ zeg jij, ‘zulke tanden passen overál bij! Meid, ik wou dat ik zulke tanden had.’ ‘Mag ik er … Lees verder Mooi

Hugo en Dora

Hugo en Dora zijn de laatste tijd naar elkaar toe gegroeid. Dat mogen we heel letterlijk nemen. Daar staat Dora in de slaapkamer te wankelen op één been om een spijkerbroek aan te trekken. Ze grijpt zich vast aan de strijkplank; zo snel als ze haar evenwicht verliest, vindt zij het ook weer. Hugo ziet Dora wankelen via de badkamerspiegel die eventjes een achteruitkijkspiegel wordt. Hugo schakelt rechtstreeks van z’n één in z’n vier: hij heeft vaak een aanloop nodig, maar dat komt zijn prestaties dan ook ten goede, vindt hij. Hij vestigt zijn blik weer op het heden en … Lees verder Hugo en Dora

De bril

De stad weerspiegelt in Muriël’s potten van brillenglazen. Of zij altijd zo schaapachtig uit haar ogen kijkt. Of zij altijd fluimen van de brug spuugt. Sinds ik me kan heugen word ik ongemakkelijk van brillen. De grote monturen vind ik erger dan de kleine. Evengoed geldt voor alle brillen dat ze de ogen op een onaangename manier omkaderen en de grootte ervan uit proportie brengen. In de bril die Muriël draagt springen de ogen naar voren: als domme clowns uit kartonnen doosjes. Haar oogwit is geel en rode adertjes lopen er als riviertjes doorheen, door dat bolle, gladde kikkerlandschap. Wij … Lees verder De bril

De klok

Ik zag haar op de rommelmarkt. Daar stond ze zelfingenomen te glanzen, op het snollige af. Alsof er geen andere klokken bestonden, alsof het zonlicht altíjd vanuit deze hoek en met deze intensiteit haar rondingen accentueerde. De verkoper speelde het spelletje sluw mee. ‘Zestig seconden tikt ze per minuut gemakkelijk weg’, pochte hij. Ik had achterdochtig moeten worden toen hij kleine knopen in zijn snor begon te draaien. ‘En zestig minuten per uur, geen probleem voor deze dame.’ Toen streelde hij haar zo lang dat het ongemakkelijk werd. ‘Ik neem haar’, zei ik, en nam haar. Oh, het eigenzinnig trillen … Lees verder De klok