Zoet (en sappig)

Tevreden schrijf ik deze kaart,
want mijn lief verjaart.

Ik heb mijn benen vast onthaard,
want mijn lief verjaart.

Vannacht naar het plafond gestaard,
want mijn lief verjaart.

Straks eten we een groot stuk taart,
want mijn lief verjaart.

Het vieren zit haar in de aard,
ja, mijn lief verjaart.

We zijn nu bijna bejaard,
ja, mijn lief verjaart.

Eerst een snor*, dan een baard,
ja, mijn lief verjaart.
* in een bepaalde lichtval

Zij is mijn huis, zij is mijn haard,
oh, mijn lief verjaart.

(Dit gedichtje krijgt een staart,
want mijn lief verjaart.

En ik zeg haar nu bedaard
dat ik van haar hou.)