Wish me leuk – het plezantste microproza van 2019

Maak je borst maar nat voor 120 grapjes en grolletjes (en af en toe een traan).

Een jongen in luipaardenpak met een handtas en een sigaret rende om de bus te halen. De lantaarns sprongen aan, het was koud. Ik fietste naast hem op de weg, we gingen ongeveer even snel.


‘Ik heb zo’n hekel aan hem, dat ik niet met hem op dezelfde regel wil staan,’ zei Wilma over

Bert.


‘Zo, de uitslag,’ begon de dermatoloog.


Een beetje gemeen was het wel. We gingen naar de beddenspeciaalzaak en vroegen: ‘Mogen we twee kussens slopen?’
Nou, dat mocht.


Vergat een ‘w’ en schreef ‘verachtingsmanagement’.


‘Wil je aandacht?’
Maar R. beweert – terwijl ze als zeewier door de kamer beweegt – van niet.



Van een vriend kreeg ik een aluminium ladder cadeau. Ik moest hem dan wel zelf komen ophalen. Ik had gehoopt ermee te kunnen fietsen, maar dat lukte niet, zodat ik de drie kilometer naar huis te voet aflegde. Toen ik eindelijk thuis was, was ik de ladder zat.


Had gisteren last van een after döner dip.


Zegt de fabrikant van proteïneshakes: ‘Zolang de voorraad sterkt.’


De caissière draagt een kerstmuts, heeft een Russisch accent en zegt tegen alle klanten: ‘Prettige feestjes.’


Ik verstond: ‘Een gevoel van saamhoerigheid.’


Diep nadenken in de auto. Ik noem het ‘filesoferen’.


carnavalshit


ramp-zalig


‘Wish me leuk.’


‘Ik hou mijn spreekbeurt over de spreekbeurt.’


onlo
smakelijk


Sinds ik Proust lees: snipverkouden.


Soms is er geen enkele overlap tussen het Vlaams en Hollands. Mijn collega had het over een ‘gebrushte froufrou’. Dat bleek een geföhnde pony.



Halverwege de wandeling haalde mijn vader een boterhamzakje met drie bonbons uit zijn rugzak.
‘Heeft mama die zo meegegeven?’
‘Ja.’
‘Het lijken wel tractors.’
(Stevig kauwend): ‘Ja.’


‘Wil je anders een kleurplaat, om rustig te worden?’
‘Ik ben 34.’


Gezien op het Journaal: de populier is populair.


Fred en Margje maakten hevige ruzie, maar legden het nog diezelfde minuut bij en spraken sindsdien over ‘de oorlog van 16:14’.


Toen ik ’s nachts thuiskwam zag ik nog net hoe voor het Thaise restaurant op de hoek een man een steen gooide naar twee mannen verderop. Hij zag dat ik het had gezien en kwam naar me toe. Zijn Nederlands was niet zo goed, dus het duurde even voordat ik begreep dat de mannen zijn fiets hadden willen stelen.
‘En je bent boos,’ zei ik begripvol.
‘Nee,’ antwoordde hij, ‘ik ben Cambodjaan.’


‘Tot zo!’
‘Huh?! Ik dacht dat we op za hadden afgesproken.’


‘Ik plan nu een uitje terwíjl ik er één snipper!’ roept R. vanuit de keuken. Daarna gniffelt ze tevreden.


‘Is ’t al tijd voor wijn?’
‘Altijd.’


Ik ben bijna aan mijn eerste neushaartrimmer toe.


‘Schrijf jij ook weleens per ongeluk ‘pubertijd’?’
‘Nee.’
‘Nee, ik ook niet.’


Paar seconden gedacht dat ‘sjalot’ een meisjesnaam was.


Duifje. 


R. maakt spring rolls want ‘het is spring en ’t leven loopt op rolletjes’.


Was even vergeten dat de natuur ook vuurwerk afsteekt – maar dan heel traag – en dat dat bloeien heet.


Ik kom nu al een paar dagen achter elkaar de uitdrukking ‘ontsluiten van kennis’ tegen, en dat klinkt niet fris. Ik stel me een man met wit piekig haar voor die zijn hoofd in een boekenkast steekt en vanuit het donker roept: ‘Er is al tien centimeter ontsluiting.’


‘Ik steek het ene kopje met het vorige aan,’ slurpt R. tevreden.


Op het perron staat het meisje van de railcatering. Ik glimlach. Ze glimlacht niet terug. Ze heeft pauze.


Vertypte me en vroeg of iemand zon en tijd had om iets te gaan doen.



Ik luister mijn interview met een Soedanese vrouw terug. Haar Nederlands is goed, maar ze moet soms naar woorden zoeken. Ze vertelt over de geboorte van haar zoon: “Toen ik hem zag, vergat ik de pijn en was ik glim aan het lachen.”


R. zei dat mijn neusje verbrand was, verbeterde zich en zei: ‘Neus.’


Gezien bij Ik vertrek: ‘We gaan dan wel naar Frankrijk, ik blijf een bourgondiër.’


Iemand zei dat iets geen gezicht was. Hij heeft gelijk, dacht ik. Alles – behalve een gezicht – is geen gezicht.


‘Ik ben altijd al geïnteresseerd geweest in…’ begon een jongetje van acht zijn zin.


‘Ik kom zo, ik ben even het bladerdeeg aan het föhnen.’



Ik schreef een portret van een vrouw. Ik gebruikte alleen haar woorden. Ze las de tekst.
‘Hoe is het om je eigen woorden zo terug te
lezen?’ vroeg ik.
‘Ja goed, ik zou het precies zo zeggen.’


Tijdens het oefenen van de tekst haperde de jongen bij het woord ‘dwarslaesie’. Hij had altijd gedacht dat het ‘dwarslezing’ was.


‘Dus hij heeft groene vingers?’
‘Op dat gebied wel.’


In alle vroegte bij de supermarkt. Voor de deur de melancholieke accordeonspeler, binnen een hond met ogen die tranen.


Toen ik zei dat ik voor het perfecte wentelteefje genoeg heb aan een saaie snee, verslikte R. zich in haar thee.


Transactiepoëzie:
Aanvaard.
Verwijder kaart.


zenuws
lopend


‘Nogal een verschil,’ merkt R. opgetogen op, ‘tussen kat in de zak of kat in het bakkie.’


Tikfout met grote gevolgen:
Warmgerookte zalmtartaar met kappertjesvinaigrette. Lekker met een handje veldslag.


Ik wilde ‘woohoo’ typen en autocorrect maakte er snel ‘woonbegeleiding’ van.


‘Jouw wangen zijn in de gloei van hun leven.’


Ik dacht dat een fietser naar mij zwaaide, maar hij sloeg gewoon af.


Ik dacht dat een bouwvakker naar mij floot, maar het was piepschuim tegen glas.



‘Is je boek leuk?’
‘Ja.’
‘Wacht, open vraag: Hoe is je boek?’
‘Leuk.’


R. bestelde een ‘patatje meth’. Toen bestelde ik maar een ‘crystal met’.


‘Ik ben slechtgehumeurd,’ zei ik tegen R. Daarna verbeterde ik me en zei: ‘Slechtgezind.’ Met die Vlaamse woordkeuze
was ik zo blij dat ik onmiddellijk opklaarde.


Nadat R. zich grondig heeft ingesmeerd zegt ze: ‘Zo, het vlees kan op de barbecue.’


R. kocht een duur badpak en kreeg er een potje aardbeienjam bij.


Ik zei tegen R. dat ik me bemind voelde. Ze zei: ‘Nee, je wordt beplust.’


We hadden kinderen te logeren. De zon was net op toen we ze hoorden rondscharrelen op de gang. We stonden op. Vervolgens:

  • lazen we een boek
  • maakten we handschaduwpoppetjes op de muur
  • bakten we wentelteefjes
  • knipten en vouwden we een schatkistje
  • speelden we een computerspel
  • keken we op Netflix naar Pokémon
  • speelden we op het orgeltje
  • typten we een stukje op de typemachine
  • aten we een appel (geschild en in stukjes)
  • kleurden we een kleurplaat
  • losten we een woordzoeker op
  • dronken we appelsap
  • trokken we onze sandalen verkeerd om aan

Uitgeput keek ik op de klok. Het was kwart over negen.


Dat je je stond te scheren en ondertussen kon denken: ik woon in Okselaar.


‘Je hebt altijd een keuze.’
‘Ja, en nu kies ik even voor irritatie.’


De buurman heeft zijn betonboor weggelegd en is nu aan het drummen.


Ik was bij mijn ouders en de pindakaas was op. In de voorraadkast in de schuur vond ik op een van de onderste planken toch nog een pot. Hij zag er wat verweerd uit, maar zat nog vrijwel vol, hoewel er een merkwaardig patroon in de pindakaas zat, alsof iemand er met een smal mes heel vaak in geprikt had. Ik haalde mijn schouders op en smeerde drie boterhammen. Toen ik de laatste aan het eten was, kwam mijn moeder thuis met de boodschappen. ‘Ik heb nieuwe pindakaas gekocht’, zei ze. ‘Oh, dat was niet nodig,’ antwoordde ik met volle mond, ‘ik vond nog een pot in de schuur.’ Mijn moeder pakte de pot, bekeek hem aandachtig en zei: ‘Oh ja, maar deze heeft de hele winter buiten gestaan voor de vogels.’


Ik: ‘De rappers zijn te laat.’
R: ‘En dat noemt zich rap.’


‘Hoi.’
‘Hey.’
‘Hoe is het daar?’
‘Goed.’
Stilte.
‘Wat is dat geknars?’
‘Ik eet een bevroren broodje bapao.’


Iemand stuurde me: ‘Hoi elsje, Ok, is goed dan zie ik je op 1 augustus, bedankt voor je muiltje.’


Geen kokos bij de ijssalon: kokosnood.


In een vlaag van verstandsverduistering staren naar een zonsverbijstering.


‘Je lacht nu gewoon om mijn grapjes omdat je hoopt dat ik de was ophang.’
‘Ja.’


Mijn moeder vroeg of ik een ventilator voor mijn verjaardag wil. Ik zei dat ik zo min mogelijk extra spullen wil, zeker als ik ze maar weinig zal gebruiken. Even later had ik alsnog een ingeving voor een cadeau maar daarop reageerde mijn moeder streng. ‘Nee, als je geen ventilator wilt, krijg je ook geen rookmachine.’


Ik verstond ‘helbaby’.


Ik moest net aankoop mailen om te vragen of ze een ATB naar de flow van de budgethouder willen slepen. Daarna kreeg ik van HR het bericht dat glijtijd boven de 12 plusuren zal worden afgetopt. Ik ben klaar voor m’n pensioen.


Ik zag net een vrouw omwaaien.



‘En, wat hebben jullie gedaan?’ vraag ik aan mijn vader over de familiereünie die hij al maanden aan het organiseren was.
‘Niks. Gepraat.’


Net opgevoerd in een verhaal: Waxsalon Streepje voor.


Het valt me op dat men in België zegt: ‘Daar kan ze niet (!) aan doen.’ Ik vroeg me al een tijdje af waar de ‘s’ dan blijft. Is hij booS? Ligt hij nog te kronkelen in zijn neStje? Inmiddels weet ik hoe het zit. De ‘s’ van ‘niets’ loopt soms over naar het woord ‘mogelijk’. Dan krijg je zinnen als: ‘Daar kan ze niet aan doen. Mogelijks was ze onvoldoende geïnformeerd.’


Ik vertypte me. Toen stond er plots: ‘Liesbeth had tranen in haar oven.’


Het was zo’n triestige dag, zelfs het papier was bedrukt.


Naam voor mogelijk evenementje: Lekkere Track een avond vol eten en muziek.


Mijn vader draagt zijn nette overhemd, want op zijn werk is het de Dag van de warmtepomp.



Die voetballers en hun aannames…


Tijdens het WK atletiek struikelde een sportcommentator over het woordje ‘horde’.


Ik wilde ‘beterschap’ typen, maar begon per ongeluk met een ‘v’. Toen stelde autocorrect ‘veterschoen’ voor.


Terwijl ik naar huis liep begon het te miezeren. Ik moest denken aan Corrie, een vroegere vriendin van mijn oma, die altijd heel dicht bij je kwam staan en een beetje spuugde als ze sprak.


De hoogleraar waarschuwt voor het gebruik van anekdotisch bewijs. ‘Ik heb het weleens geprobeerd en het werkte voor geen meter.’


✂️ste


Eerst de vriendin over haar ex, L.
Toen de collega over een Excel.
Tot slot de verkoper: ‘Alleen nog XL.’


In mijn workshop zaten – naast elkaar – twee meisjes die Britt heetten. Dat was leuk want daardoor kon ik af en toe met een theatraal armgebaar vragen: ‘En wat denken de Britten?’


De ballerina die in het Journaal terugblikt op haar carrière: ‘Ik heb er mijn eigen draai aan gegeven.’


Twee-eiigie eenling.


R. vanaf haar vakantieadres: ‘Ik heb ’t naar m’n zon.’


Er zijn mensen die kopen om te copen.


Terwijl ik wandel langs Tropical Dutch, Pearl, Dolce Vita, Destiny, Le Grand Blue, Ocean Suite en Het Groot Geluk denk ik aan R., die ooit zei: ‘Een jachthaven is gewoon een camping voor rijke mensen.’


Bruistablet aangezien voor een kauwtablet. Nu ben ik wel wakker.


Tanden poetsen.
Koffie drinken.


R. zei dat ze buzz ging creëren, we reden op dat moment achter een bus.


Jane goot al haar woede in een nieuw muzikaal genre: wrok ’n roll.


Probleemloos een vlijmscherp koksmes gehanteerd, om me vervolgens te snijden aan het kookboek.


Alles van weerde is …


‘Hoe is de cava?’
‘Ça va.’


In de winter lopen we want in want.


Hard lachen boven een wafel met poedersuiker.


Bij ‘gorgonzola’ denk ik eerder aan mondwater dan aan kaas.


Als kind was ik een rotzak. Ik vroeg op fluistertoon of ik moest helpen met de afwas en als mijn moeder na drie keer niet reageerde, zei ik luid: ‘Maar zeg dan straks niét dat ik het niet heb aangeboden!’


R. heeft geen zin om te gaan joggen.
‘Ik ga over een kwartier …’
‘Wat goed!’
‘… beslissen of ik ga.’


Eilandleven 1:
‘Goedemiddag.’
‘Is ’t al middag?’


Eilandleven 2:
‘Nietes!’
‘Wellness!’


Het nichtje gaf me een tekening en zei even later: ‘Ik vind jou stommer dan Renske.’
‘Vind je me ook echt stom?’ vroeg ik.
‘Nee, ik vind je lief, maar wel stommer dan Renske.’


 

Meer grapjes? Bekijk ook het microproza van 2012 t/m 2017.
Ik bundelde ze in slideshows.