De zon komt weer op, maar de dag is om

Tot ziens, tot ziens, Justine
want welke weg ik kies
hij leidt naar hier.
De geschiedenis herhaalt zich nooit
maar rijmt altijd een keer.

Spinvis – Oostende

Als ik Oswald Spengler goed begrepen heb, of – laat ik maar heel eerlijk zijn – als ik de Engelstalige Wikipediapagina over Oswald Spengler goed begrepen heb, is de westerse beschaving niet bezig aan een lineaire ontwikkeling richting perfectie, maar is het slechts een van vele culturen/beschavingen die komen en weer gaan. Sterker nog, wij zijn al over ons hoogtepunt heen en nu op ons retour.

Toen ik dat voor het eerst las, betrapte ik mezelf op weerstand. Ik vind het niet leuk om onderdeel te zijn van iets dat op zijn retour is. Het lijkt alsof we met zijn allen in een roeibootje zitten en nu het ene lek na het andere ontdekken. Het lijkt alsof de directeur zojuist de jaarcijfers van het derde kwartaal heeft bekendgemaakt, en we hebben wéér verlies gedraaid. Het lijkt op een dansvloer die langzaam leegstroomt, er staan nog een paar wankele mensen (niet de beste dansers), de muziek staat zacht na een klacht van de buren en de discolamp werpt treurig gekleurd licht op vloer en de muren: geel, rood, paars, groen – het komt, het gaat, het komt, het gaat.

Na het lezen van de Engelstalige Wikipediapagina over Spengler heb ik me afgevraagd: moeten we dat eigenlijk wel doen, dat hele aftakelen, als cultuur? Hadden we niet op ons hoogtepunt kunnen stoppen? Ik probeer me een voorstelling te maken van hoe je als samenleving op je hoogtepunt stopt. Hoe je een samenleving ontmantelt. Misschien zoals je een bedrijf ontmantelt: je schrijft een persbericht aan de wereld waarin je uitlegt dat de tijden veranderd zijn, dat je hebt besloten, nee, dat de aandeelhouders gezamenlijk hebben besloten dat we niet voldoende meer te bieden hebben. Dat we niet meer meekomen, inmiddels misschien meer kwaad aanrichten dan goed, dat het nu zaak is de schade te beperken.

We kunnen kiezen voor een sterfhuisconstructie: geen nieuwe mensen meer toelaten en wie al deel uitmaakt van de cultuur kan terecht in een re-integratietraject: we kunnen op zoek gaan naar andere beschavingen, prille en oude, en onszelf daar onderbrengen. Kijken wie ons hebben wil. We proberen families zoveel mogelijk bij elkaar te houden. We hopen dat we in die andere culturen ontvangen worden zoals tijdens de studiereis naar Libanon, met dadels en thee en muziek, en niet zoals wij zelf bezoekers ontvangen, met spandoeken, smalle stapelbedden en bakstenen.

Het zal niet makkelijk worden. Ik denk niet dat het voor een meerderheid ooit makkelijk is om plotseling een minderheid te zijn. Ik denk dat de meeste mensen zich niets kunnen voorstellen bij het zijn van een minderheid, maar dat die ervaring eigenlijk standaard in elke opvoeding zou moeten zitten of in het lespakket op school; ik denk dat veel mensen en veel samenlevingen daar enorm van zouden opknappen.

Ten slotte moet er iets gebeuren met het vastgoed, met het land. Er kan een curator aangesteld worden die dat eerlijk verdeelt onder de schuldeisers, er zijn veel schuldeisers. Er zijn meer en minder sportieve manieren voor ons om om te gaan met het onvermijdelijk afstand doen van ons bezit. Ik herinner mij de vorige bewoner van een appartement waar ik ging wonen. Toen ik weigerde te betalen voor de laminaatvloer die er al jaren lag en die hij toch niet wilde meenemen, heeft hij de vloer vlak voor zijn vertrek nog aan splinters geslagen.

Er moet ook iets met het erfgoed, het cultureel erfgoed: misschien kan dat verwerkt worden in iets nieuws. Afgelopen week was er een Amerikaanse kunstenares op tv die van vierentwintig Louis Vuitton-tassen een toiletpot had gemaakt.

Op ons hoogtepunt stoppen zou betekenen dat ten onder gaan veel sneller kan dan de ongeveer duizend jaar die Spengler voorspelde dat ervoor nodig is: even lang als het volgens hem duurt voor een beschaving om te ontstaan. Ik vond duizend jaar om ten onder te gaan eerlijk gezegd al wat aan de lange kant. Ik heb altijd de indruk gehad dat iets stukmaken veel sneller gaat dan iets maken: ik kan in vijf minuten een maaltijd eten waarvan het twee uur heeft gekost om hem te bereiden. En hier in Antwerpen, op een boogscheut (steenworp) van het station wordt de Antwerp Tower getransformeerd tot iets nieuws, vierentwintig verdiepingen hoog. Er moet jaren aan zijn gebouwd, maar nu er ronkende machines kleine hapjes uit nemen zie je plots hoe snel het helemaal opgeruimd zou kunnen worden, een paar maanden zou misschien al volstaan.

Ik las dat het woord ‘ondergang’ in Ondergang van het Avondland vaak verkeerd begrepen is. Dat Spengler het niet bedoelde als catastrofe maar eerder als voltooiing.

Misschien heb ik zo’n moeite met het idee van ‘als samenleving op je retour zijn’ omdat ik zelf nog nooit op mijn retour ben geweest. Misschien is ‘op je retour zijn’ per definitie iets dat je niet al ‘kunt zijn geweest’. Van op je retour zijn, kom je niet meer terug. Er komt misschien wel iets terug, maar niet jij.

Ik heb natuurlijk wel afscheid moeten nemen van dingen. Van mijn lagere school in Heteren, van zeker twintig huisdieren, van een voetbalteam, van het vanzelfsprekende vertrouwen dat er een god bestaat, van mijn oma, van mijn andere oma, van een appartement, van een stad, van een land.

Al dat afscheid nemen, was ook afscheid nemen van iets van mezelf: geen leerling meer zijn, geen kind meer zijn, geen baasje van een hond* meer zijn, geen voetballer, geen gelovige, geen kleindochter, geen Nijmegenaar.

Maar ik heb geen ervaring met geen mens meer zijn, of met steeds minder een mens zijn, met steeds minder bestaan, met langzaam oplossen of overgaan in iets anders.

Misschien ben ik bij uitstek een product van mijn tijd en cultuur wanneer ik streef naar de efficiëntie en opgeruimdheid van op je hoogtepunt stoppen. Misschien mis je wel iets fundamenteels als je op je hoogtepunt stopt. Voor een carrière kan het weliswaar opgaan, maar voor een leven toch niet. Misschien is voltooien niet iets dat je kunt oefenen maar wel iets dat je waardig kunt doen.

En misschien kost dat voor een samenleving inderdaad duizend jaar. Misschien zat ik er zojuist wel helemaal naast met mijn voorbeelden. Zou ik niet het in vijf minuten opeten van de maaltijd moeten rekenen, maar de tijd die het kost voor een lichaam om alle voedingsstoffen op te nemen. Zou ik niet uit moeten gaan van de paar maanden die het kost om vierentwintig verdiepingen uit een stadscentrum te verwijderen, maar van de tijd die verstrijkt tot er niemand meer langs het station fietst die zegt: ‘Kijk, op die plek stond vroeger een toren.’

 

 * zes katten, een schaap, tien kippen, een hamster, acht konijnen


 Ik schreef deze tekst voor een filosofische avond van Het zoekend hert ter gelegenheid van de eerste Nederlandse uitgave van het klassieke werk De Ondergang van het Avondland van Oswald Spengler.