De troost van een windmolenpark

Het is een uitzonderlijk warme oktoberdag. Ik ben bedroefd. Op het Pieter Vreedeplein in Tilburg neemt het leven zijn gebruikelijke loop tot er her en der jongeren opduiken, onberispelijk gekleed in het grijs. Ze zitten plotseling op randen van plantenbakken, staan verstijfd op open plekken. Levensgrote poppen. Er klinkt een hoge toon die geleidelijk zakt tot een laag zoemen: een grondtoon waar met kalme regelmaat hogere tonen boven uitschieten. Steeds meer winkelend publiek blijft staan.

De jongeren komen stram in beweging, verzamelen zich op het plein, meestal alleen, soms in tweetallen. Hun gebaren zijn hoekig, voorspelbaar en synchroon. Het is alsof ik naar een windmolenpark kijk. Ik hou van windmolenparken. Ze zakken traag naar de grond, hurken, draaien. De diepe gons, het gepingel, de serene gezichten, gesloten ogen, grijze kleren, grijze tegels, duiven, de zon. Niemand is ongelukkig, ik heb al vijf minuten niet aan je gedacht, niemand springt uit de band.

Ze doen amper nog denken aan mensen, deze sterke, jonge lichamen. Ik heb het gevoel dat ik dat pijnlijk of ontregelend zou moeten vinden, maar het kalmeert me alleen maar, terwijl ik zo snel mededogen (liefde) voor iemand, voor iets kan voelen.

Toen het bedrijf Boston Dynamics een paar jaar geleden een filmpje publiceerde over robothond Spot was ik aanvankelijk vooral geamuseerd: door hoe de robot door de gangen van een kantoorgebouw liep, een trap beklom, een stukje rende. Geen gehijg maar hydraulische pufjes. ’s Nachts moest hij vast weer aan de oplader. Maar na achtentwintig seconden video voltrok zich een klein wonder: een man trapte Spot buiten op de gladde parkeerplaats hard in zijn flank. Ik zag hoe de machine wegglipte, zijn poten wankel over het asfalt krasten en hoe hij zich uiteindelijk – tot mijn grote opluchting – staande hield.

De suggestie van een eigen wil is snel gewekt.

Bij de jongeren op het plein bespeur ik geen weerstand. Als die er al was, is hij lang geleden gebroken. Ik zie geen strijd, enkel een resultaat, dat verontrust mij niet, de uitkomst is bekend.
(Ik vond het moeilijk toen de uitkomst nog onbekend was.
Toen ik nog dacht dat jij en ik…
Toen dat nog mogelijk leek.)

Als klein meisje tekende ik grote huizen waar grote gezinnen in leefden; kinderen met vrijwel identieke namen en vrijwel identieke kleren in opgeruimde, vrijwel identieke kamers. Ik speelde niet echt, ik ordende. Met mijn barbies was het ongeveer hetzelfde: ik richtte steden in, verzon uitgebreide biografieën, gaf elke barbie een activiteit (tennissen, lezen, dansen, rijden in de auto die mijn vader zelf had getimmerd, met deksels van augurkpotten als wielen) en dan – als het spelen eindelijk kon beginnen – ging ik naar beneden om chips te eten en Heartbreak High te kijken.

Ik moet daar voor het eerst gezien hebben dat liefdesverdriet een vorm van rouwen is.

Een klein leger van synchroon bewegende figuren op een plein in de zon en plots de gedachte: voor wie is het eigenlijk jammer dat de dodo is uitgestorven? Voor iedereen behalve voor de dodo zelf. En even later: haha, dodo is een anagram van dood.

Van Simone van Saarloos las ik ooit: ‘Ik hoor wel eens dat het zoeken naar alternatieve vormen – bijvoorbeeld in relaties en liefde – als ‘moeilijk doen’ wordt ervaren. Ik zie niet wat het leven anders is dan moeilijk doen.’

Ik weet dat ze gelijk heeft. Ik weet dat ik geen windmolen ben, windmolens worden niet verliefd. Ik probeer mijn draai te vinden, ook al is het moeilijk maar ik ben vandaag zo moe en bedroefd en waar zijn de opladers voor echte mensen?

Een van de meest troostrijke gedichten die ik ken, werd geschreven door Jan Arends en gaat als volgt:

Ik
ben niet bang
voor wat er
zal gebeuren.

 

Er zullen
witte dieren
door het veld
gaan lopen
en dat
zal alles zijn.


Ik schreef deze tekst voor de schrijfcursus Dans & Durf van DansBrabant en Domein voor Kunstkritiek na het zien van de voorstelling Siri Loves Me van choreograaf Katja Heitmann.