Knikken naar een dashboardhondje

I love haiku. In de zomer van 2017 onderzocht ik tijdens een schrijfresidentie bij WISPER waarom. Dit is mijn tweede verslag. 

De plantenexcursie begint al meteen met een misverstand. Toen ik de aankondiging zag op de website van de Plantenwerkgroep  Antwerpen Stad stelde ik me een rondleiding voor; een gids met een leuk groen hoedje die ons op exotische paddenstoelen en kruiden zou wijzen. Het gaat echter om een inventarisatie, zo blijkt als ik me op een grauwe dinsdagmorgen aansluit bij vier natgeregende mensen op de stoep tegenover het Bonapartedok.

Vandaag inventariseren we de kasseienflora, de plantjes die tussen de straat- en muurstenen groeien. ‘Alles in miniatuur,’ zegt een man met een stofjasje. Het regent stevig. We turen gebukt naar de gladde straatstenen en alles ertussen. Ik zeg dat ik schrijver ben en weinig weet van de natuur, ik weet alleen dat mij veel ontgaat. De man adviseert mij een floraboek te kopen en dat regelmatig door te bladeren.

Een floraboek heb ik inderdaad nog niet, wel een stapel boeken met en over haiku; een medewerker van de bibliotheek heeft ze handmatig voor me verlengd tot 7 september. Ik heb pas één boek gelezen: Een verre vogel – Het tweede haikoe-boek van Bart Mesotten, oprichter van de Haikoe-kring Vlaanderen. Daarin staat iets moois over de aard van het genre:*

Haikoe wil in enkele treffende woorden een vervluchtigend ogenblik van een natuurervaring vastleggen, en meteen doorverwijzen naar het onverklaarbare geheim dat zich daarin openbaart. Haikoe is in hoge mate de kunst van de bescheiden doorverwijzing…

Hoewel ik heus weleens een natuurervaring heb, ben ik benieuwd hoe die eruitziet voor mensen met meer verstand van zaken. Mensen die het vak biologie op de middelbare school niet zodra het kon hebben laten vallen, die misschien een tuin hebben met planten die het er zichtbaar naar hun zin hebben.

De excursieleider, een man met regenlaarzen, warrig wit haar, een verweerd gezicht en een sigaarstompje aan zijn lip heeft veel geduld met me. Af en toe plukt hij iets dat ik mag bekijken door een loep. Hij noemt de Nederlandse en de Latijnse naam, soms ook de bijnaam of koosnaam. De kleine klit wordt bijvoorbeeld ook wel het plakmadammeke genoemd. ‘Aha,’ zeg ik. Wanneer hij een bijzondere plant tegenkomt, zet hij die in een app van Waarnemingen.be. ‘Straks komt Karen nog, om foto’s te maken,’ zegt hij. En later: ‘Waar blijft Karen?’

De andere twee deelnemers zijn vrouwen in donkerblauwe regenjassen. Een van hen zit bij de Plantenwerkgroep sinds haar pensioen. Er is ook een groep waarmee ze excursies aan zee doet, dan kijken ze naar bloemen en insecten. De andere vrouw heeft kort wit haar en moeite met spreken. Zij pakt af en toe mijn arm en brengt me naar een spriet of een varentje.

Hoe langer we rond de kaaien scharrelen, hoe meer ik onder de indruk raak van de ecologische, geografische en historische kennis van het gezelschap. Karen arriveert op een fiets met stevige fietstassen. Ze maakt een groepsfoto. Onze regenjassen klapperen als zeilen in de wind.

Om kwart voor 11 stel ik vast dat mijn botanische belangstelling al verzadigd is. Terwijl het groepje afdaalt naar een drassig uitziend stukje grond aan de Schelde, dwaalt mijn blik naar een levensgrote pop met oranje reddingsvest op een vlondertje van de reddingsbrigade – kleine kortsluiting in mijn hoofd – even leek het of er een mens lag. Ook de vrachtwagen van Datavernietiging Michel vind ik interessant. Ik zou dolgraag een van de multomappen openslaan die achter ons in een blauwe container uit het Loodsgebouw worden gerold. Er vaart een groot cruiseschip voorbij, de Europa 2. Al die kajuiten met al die levens, denk ik. Mijn sokken zijn nat en van de ongeveer 120 plantsoorten die in de app zijn terechtgekomen, heb ik er welgeteld tien onthouden, en dan vooral omdat ze namen hebben die aan dieren of mensen doen denken:

  1. raket (‘schiet de lucht in’)
  2. reigersbek
  3. ooievaarsbek
  4. hazenpootje
  5. klein liefdegras (‘de aren hebben een dakpanachtige structuur’)
  6. kale breukkruid (alsof iemand met een groene markeerstift tussen de tegels heeft gekleurd)
  7. vingergras (‘niet te verwarren met handjesgras’)
  8. kleine klit (ofwel het plakmadammeke)
  9. welriekende ganzenvoet (ruikt naar terpentine)
  10. herderstasje (oh zo lief)

(Voor foto’s scrolt u helemaal naar benee.)

Ik ben een beetje jaloers op het gezelschap dat daar de ene natuurervaring na de andere staat te beleven. Met opgetogen passen lopen ze door de hoge begroeiing, Karen maakt bijna onophoudelijk foto’s. Iedereen blijkt een loep te hebben, sommige zelfs met een lampje. Ik zie de excursieleider naar wat vergeeld gras wijzen en hoor hem zeggen: ‘Het is zo te zien gemaaid, terug opgekomen en dan gepákt door de droogte.’

Elders in zijn boek schrijft Bart Mesotten dat er zoiets is als een haikumoment. Een ontstaansschok

die vooral hierin gelegen is dat men zich plotseling, onvoorbereid, onopgemaakt, ervan bewust wordt dat er iets aan de hand is, iets dat je bijzonder intens treft omdat het als nieuw verschijnt, omdat het de aandacht gaande houdt en die ook waardig bevonden wordt (…). Doorgaans zal dat verhevigd ogenblik van doen hebben met ervaringen in de natuur – die van de groenen en de botanica – maar misschien niet zo uitsluitend als men doorgaans hoort beweren.

Dat stelt me enigszins gerust. Een paar weken na de excursie betrap ik me erop dat ik net zo naar de grond loop te turen als de natuurliefhebbers. Ik bevind me op een rommelmarktje aan de Singel. Van kleed naar kleed ga ik, verrukt over de willekeur waarmee dingen bij elkaar zijn terechtgekomen: een plaat van Simon & Garfunkel naast een paar afgetrapte witte gymschoenen naast een grappig dashboardhondje naast een olijfgroen beklede stoel naast een handvol zilveren theelepeltjes naast een vogelkooi naast een boek met de titel Snoeien, wanneer en waar naast een glazen asbak naast een sladroger naast een weegschaal. Op de weegschaal ga ik even staan, ik knik naar het dashboardhondje en koop de plaat van Simon & Garfunkel. Thuis hoor ik hen zingen: ‘I’d rather be a forest than a street.’

Dat de ontstaansschok (de kleine kortsluiting) zich op allerlei momenten kan voordoen, blijkt wel uit de haiku’s (sommigen noemen het senryu’s**) die ik aantref in de andere bibliotheekboeken.

Aldoor zacht ritselend
eet zij een rijstekoekje,
het mooie meisje.

Issa

Bovenop het dak
ligt een natte kinderbal
in lenteregen.

Buson

Hij voelt zich een rijk
man; hij leest een boek ’s morgens
vroeg al, om tien uur.

Gertrude Meyling

Een man en een vrouw –
elk laken dat ze vouwen
brengt hen bij elkaar.

Nanneke Huizinga

Jouw gezicht, oma
net gekreukeld papier,
maar zacht, lekker zacht.

Marianne Six Dijkstra-de Ruyter

De mallemolen. –
Op één paard één kind. De rest
galoppeert leeg mee.

Bart Mesotten

Avenue Louise
meisjes met heerlijke lippen
die   ijskoud blijven!

Patrick Blanche

 

Maar de natuurervaring kan aan betekenis winnen. Wanneer ik op deze haiku van Matsuo Bashō (de vader van het genre) stuit, word ik overspoeld door een golfje van herkenning en vreugde:

Wanneer je goed kijkt –
bloeit er een herderstasje
onder de heining.

 


* Bart Mesotten citeert hier Jan van Ulenbrook (ken ik verder niet).

** Over het verschil tussen haiku en senryu bestaan verschillende opvattingen. Volgens Wikipedia beschrijft haiku van oorsprong de volkomenheid van de natuur en senryu de onvolkomenheden van de mens, zij het op vriendelijke toon. Omdat de mens- en natuuropvatting in het westen heel anders zijn dan die in het oosten lijkt het onderscheid tussen de genres hier minder scherp.

Meer lezen

De oogst


Raket (+ bewijs van de regen)

Reigersbek

Ooievaarsbek (links vooraan het stompe snaveltje)

Hazenpootje

Klein liefdegras

Kale breukkruid (het lichtgroene)

Vingergras (en echte vingers)

Kleine klit (‘plakmadammeke’) (en een trouwring)

Welriekende ganzenvoet (en echte voeten)

Herderstasje (’t schatje)

Snoeien, waneer en waar