Een flat in de stad (zonder planten)

I love haiku. In de zomer van 2017 onderzocht ik tijdens een schrijfresidentie bij WISPER waarom. Dit is mijn eerste verslag.

Een vrijdagmiddag in juni: ik geef een workshop ‘Schrijven over de moestuin’ in een warm zaaltje in een woon-zorgcentrum in Eindhoven. Een man zegt: “Ik was graag een plant geweest. Planten worden ouder dan mensen en ze voeren geen oorlogen.” Een vrouw wijst hem erop dat planten elkaar wel degelijk verdringen en verstikken en dat er zelfs planten bestaan die insecten opeten. Een andere man zegt: “Ik heb thuis een vleesetende plant: mijn vriendin.” Hij is ook degene die even later een couplet voor een carnavalsliedje schrijft, terwijl de anderen zwoegen op een haiku.

Bij die workshop begint het, mijn haikukoorts (mijn haikoorts). Ik kies eigenlijk vooral uit praktische overwegingen voor de klassieke Japanse dichtvorm:

  • het past bij tuinieren (een haiku beschrijft de natuur)
  • het is heel kort (veel oude mensen kunnen de pen niet meer zo lang hanteren)
  • de vorm is helder (drie regeltjes van 5-7-5 lettergrepen)
  • na afloop hebben we een eindproduct: een tekstje dat je op een tegel boven de open haard (of naast de radiator) zou kunnen hangen, tussen de kindertekeningen en het vergeelde trouwportret. Ik gun de cursisten iets dat af is, het leven bevat al zo veel losse eindjes.

Maar wanneer ik met die haiku’s bezig ben, gebeurt er iets verrassends. Hoe meer ik er lees, hoe meer het genre me bij de kladden grijpt, zonder dat ik begrijp waarom. Ik heb weinig met de natuur (ik droom niet van een boerderijtje met wat scharrelkippen, ik wil voorgoed in een flat in de stad, zonder planten), ik ben geen dichter en van regels krijg ik het benauwd. Vormvast, schwormvast, denk ik dan. En toch word ik verliefd op die kleine gedichtjes, eenvoudige observaties vaak, meestal maar een enkele zin, opgeknipt in drie stukjes. Bijvoorbeeld deze van Taigi:

Een vuurvlieg flitste,
kijk! had ik haast geroepen,
maar ik was alleen.

Of deze van Marianne Six Dijkstra-de Ruyter:

De gestorven mol
lag er zo menselijk bij
vooral zijn handjes.

Of deze van Buson:

’t Is herfst, en avond;
ik kan alleen maar denken:
vader en moeder.

“Haiku verandert uw leven niet, maar omdat uw leven verandert, komt men tot haiku,” schrijft Herman van Rompuy in het voorwoord van zijn tweede haikubundel.

Is dat het? Is mijn leven veranderd? Ik ben een paar steden opgeschoven. Ik ben een land opgeschoven. Ik dool (tjool) door de vuile straten van Antwerpen. Rond het Sint Jansplein zien de mensen er versleten uit. De eerste vriendin die ik in deze stad maak, de oude buurvrouw op de vijfde etage, overlijdt een paar maanden na onze komst. Wanneer haar as wordt uitgestrooid op een veldje in Ekeren beeld ik me in dat ze een eindje onze kant op waait. Vrienden krijgen kinderen, ik krijg er kleine mensen, vrienden bij, dit blijft me vervullen met immense trots. Ik vier mijn drieëndertigste verjaardag in een reuzenrad, denkend aan Jezus. Ik had verwacht mettertijd taaier te worden maar het tegendeel is waar, ik ben zacht en week, de dingen laten steeds makkelijker een afdruk in mij na (ik veer kalm weer terug, ook dat gaat steeds makkelijker). Snel gaat het allemaal niet, eerder geleidelijk. Ik besta, besef ik soms plotseling verrast, ik besta!

En daar zijn de haiku’s. De meeste raken me niet. Je blik glijdt ook maar door het landschap tot hij ergens blijft haken. Ach die haiku’s, het zijn zuchtjes terwijl ik een windhoos zoek. Dat dacht ik tenminste, dat literatuur mij flink door elkaar moet schudden. Maar tegelijk, die zuchtjes… Alsof een vriend je een mopje in het oor fluistert.

Er staat geschreven:
geen bloesems plukken! Maar de
wind kan niet lezen.

Onbekend

Pruimebloesems her en der
’t is goed om naar het noorden
goed om naar ’t zuiden te gaan

Buso Yosa

Ik zit voor het geopende raam van een oud klaslokaal aan de Bouwmeestersstraat. Terwijl ik dit schrijf, begint het zachtjes te waaien. Ik ken geen genre dat zo vriendelijk is als de haiku, als een knipoogje op papier. Een duwtje de wereld in. Voor iemand als ik, die zo veel twijfelt, die voortdurend de vaart uit zichzelf haalt, is haiku perfect. Ga naar buiten, zegt het.

Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder.

Reis ver, drink wijn, denk na, lach hard, duik diep, kom terug.

Het gaat niet om lettergrepen tellen, dat weten de muzikanten al jaren.