Festivalgeneratie

‘Als jij ooit doodgaat,’ zei ik, ‘zullen we dan alle teksten die ik over je heb geschreven op een groot scherm afspelen, in een loop, zoals we op de bruiloft ook hebben gedaan?’
‘Ja,’ zei je, ‘dat is een leuk idee. En ik wil statafels. Ik wil niet dat de mensen in rijen moeten zitten, in zo’n sombere aula.’
‘Maar we zijn tegen die tijd misschien wel oud, moeten de oude mensen ook staan?’
‘Nee, die mogen wel zitten’, zei je grootmoedig.
We zwegen even. Het was de eerste lentedag. Door de openstaande balkondeur klonken de geluiden van de stad; het verkeer op de doorgaande weg voor de flat, een sirene in de verte. Ergens in het pand boorde iemand een gat.
‘En er moet goed gegeten worden’, zei je. ‘Geen cake en slechte koffie.’
‘We zouden een foodtruck kunnen laten komen’, zei ik.
‘Ja!’
‘En muziek’, ging ik verder. ‘En dan niet alleen droevige liedjes over afscheid. Ik ben weleens bij een uitvaart geweest waar gewoon popnummers werden gedraaid en waar zelfs werd gedanst op de eerste paar rijen. De liedjes krijgen het gewicht vanzelf wel mee.’
Je knikte. ‘Het zou zo gezellig zijn, dat er geen ruimte was voor verdriet.’
‘We zouden aan het einde iedereen een beetje van jouw as kunnen meegeven. Dan konden ze daar zelf nog iets mee doen, er een sieraad van laten maken bijvoorbeeld.’
‘In een zakje’, zei je opgetogen. ‘Dat werd dan uitgedeeld bij een kraampje bij de uitgang met een bord Zak & As.’
‘Zoals bij een kinderfeestje?’
‘Ja!’
We lachten.
‘Of zouden we je toch moeten uitstrooien? Niet op zo’n troosteloos grasveldje maar op een mooie plek. Als er dan precies op dat moment een briesje opstak, zou je een stukje onze kant op kunnen waaien. Alsof je daarmee nog even liet weten dat je graag bij ons was.’
Buiten viel alles even stil. Een seconde maar. Toen waren er weer geuren en kleuren en geluiden.
‘En dat er dan toch ruimte was voor verdriet’, zei je.
‘Ja,’ zei ik, ‘maar zover is het gelukkig nog niet.’