Najaarsgasten 5/12: Als ik wil puzzelen, koop ik wel een puzzelboekje

Ik ben op zoek naar mijn poëtica. In het najaar van 2015 toon ik elke week een videofragment van iets waar ik van hou (of juist niet) en breng ik dat in verband met wat literatuur volgens mij is, doet of moet doen.

Obwohl selbst farblos, erscheinst du blau, wenn in deiner Oberfläche ruhig sich der Himmel spiegelt.

Eerste couplet
In een les Nederlands op de middelbare school zegt onze docent dat Roodkapje gaat over volwassen worden. Het rode kapje is een verwijzing naar de menstruatie die op gang komt, de wolf, dat zijn de mannen die in deze kwetsbare levensfase op de meisjes azen.

Refrein
‘Als het over mannen gaat die meisjes verleiden,’ zeg ik verontwaardigd, ‘waarom stáát dat er dan niet gewoon?’

Tweede couplet
Ik ben in de Paraplufabriek. We zijn hier met schrijvers en andere kunstenaars een week lang aan het spelen. Ik noem het spelen, de anderen noemen het waaien, dat is eigenlijk nog mooier. We sluiten elke dag af met voordrachten en een expositie van wat we hebben gemaakt. Vandaag is er een installatie bijgekomen van een jonge kunstenares. Het zijn drie tv-schermen naast elkaar waarop verschillende beelden worden getoond. Ik kijk naar de schermen en probeer er iets van te vinden. Als Johan naast mij komt staan, lijkt de noodzaak er iets van te vinden nog groter. Ik probeer heel aandachtig te kijken. Het enige dat me zo opvalt is dat op elk scherm iets met water is te zien. Er is een close-up van een vrouwenbuik in een bad. Het schuimende badwater spoelt zachtjes tegen de lichte huid. Er is een wesp die bijna verdrinkt in een glas water. Er zijn blote voeten in zee. Water, denk ik, iets met water. Misschien iets met vergankelijkheid. Johan kijkt ontspannen naar de beelden.

Refrein
‘Ik weet niet wat ik hiervan moet vinden’, zeg ik een beetje bozig. ‘Bij zoiets denk ik: schrijf er gewoon bij wat je wilt zeggen, dan hoef ik niet te gissen.’ Om te benadrukken dat ik niet van gissen hou, zeg ik dat ik in musea eerst de titels van schilderijen lees en dan pas naar het doek kijk. ‘Anders heb ik de hele tijd het gevoel dat me iets ontgaat.’

Brug
Tijdens mijn studie had ik meer Duitse vrienden dan Nederlandse. De Duitsers kwamen naar Nijmegen om Psychologie te studeren en zochten elkaar na tentamens op in het Cultuurcafé. Ze kenden elkaar van de cursus Nederlands in de zomer en van het samen rijden als ze nog geen kamer hadden in de stad. Ik herinner me de nabespreking van zo’n tentamen. Er heerste die nerveuze uitgelatenheid die je had na twee uur volle concentratie, de schrik als je hoorde dat anderen vraag 16 over neuronen anders geïnterpreteerd hadden, de opluchting dat iedereen was vastgelopen bij vraag 23. In die stemming was het niet gek dat de Duitsers Duits met elkaar spraken, niets dekt immers zo goed de lading als je eigen moedertaal. Ik sloot iets later aan, een herfstbokje in de hand, bij de groep die groot genoeg was om weer uit subgroepjes te bestaan. Toen ik mijn bier op één van de houten tafels zette, stapte iedereen direct over op Nederlands, bijna alsof ik een onzichtbare knop had ingedrukt. Ik onderdrukte de neiging het bier weer op te tillen om te zien of iedereen dan weer Duits zou spreken. Ik voelde me welkom, dat weet ik nog, ik hoorde erbij.

Derde couplet
Het eerste boek dat we met onze leesclub lazen was De onzichtbare steden van Italo Calvino. Daarin voert Calvino Marco Polo op die allerlei steden beschrijft aan de Mongoolse keizer Kublai Kahn. Het zijn stuk voor stuk hele wonderlijke fantasiesteden, sommige gebouwd in de lucht, anderen onder de grond. Ik las het boek met een groeiend ongeduld. Dat er geen echt plot in zat, stoorde me niet, wel dat ik geen vat kreeg op wat nou de criteria waren om een stad of een dialoog toe te voegen. Toen we het boek bespraken, ging mijn stem van verontwaardiging de hoogte in.

Refrein
‘Als de criteria niet duidelijk zijn, hoe kunnen we dan bepalen of het gelukt is? Óf er is een soort willekeur, of de criteria zijn verstopt, zodat het lezen bijna hetzelfde is als het oplossen van een cryptogram.’ Daarna sneerde ik nog: ‘Als ik wil puzzelen, koop ik wel een puzzelboekje.’ Toen zei Frank, die het boek had aangedragen dat ik het als een cryptogram kon zien, dat kon, maar ook als een compositie.

Vierde couplet
Als ik uitgemopperd ben, zegt Johan dat hij de drie schermen helemaal niet bedreigend vindt. Hij kijkt er heel onbevangen naar. Hij is meer geïnteresseerd in de associaties die het bij hemzelf oproept dan in ontcijferen wat de kunstenaar misschien heeft bedoeld. In zekere zin is het kunstwerk betekenisloos. Het krijgt zijn betekenis van wie ernaar kijkt. Toch blijf ik een beetje bokkig. Ik snap natuurlijk ook wel dat als je het in woorden zou zeggen, het anders zou zijn dan met beelden. Net zoals het woord ‘rood’ een ander effect op me heeft dan het zien van de kleur rood, dat snap ik ook wel. We gaan alle kunstvormen af. Voel ik me buitengesloten als ik naar een foto kijk? Soms, maar niet zo vaak. En bij poëzie? Daar weer wel. ‘En bij muziek?’ vraagt Johan. Ik besef dat ik me nooit buitengesloten voel als ik naar muziek luister. Ik heb nooit het gevoel dat ik het moet doorgronden of interpreteren. Op wat het in me oproept, heb ik geen vat en dat is juist het mooie eraan. Het voelt niet als een keuze als ik iets mooi vind en het voelt niet als een mislukking als ik iets niet mooi vind. Bij de videoschermen kan dat ook zo zijn. Dat is een bevrijdende gedachte. Misschien sta ik naar R&B te kijken, terwijl ik van Belgische elektroclash hou.

Vijfde couplet
Dat gevoel door sommige kunst buitengesloten te worden, komt natuurlijk ergens vandaan. Tijdens een college Rechtsfilosofie bespraken we een keer een gedicht van (meen ik) de Amerikaanse dichter Ezra Pound. De docent was een heel intellectueel type met een hoog voorhoofd. Hij sprak vijf talen, waaronder vloeiend Russisch. Het kwam erop neer dat je het gedicht pas echt zou begrijpen als je een Ezra Pound-biografie had gelezen, of liever nog, had geschreven. Het zou helemaal mooi zijn als je Ezra Pound was, dan zou de betekenis van het gedicht echt diep tot je door kunnen dringen.

Zesde couplet
Ik begrijp dat woorden een ander beroep doen op mensen dan muzieknoten, verfstreken of pixels en dat het dus niet helemaal eerlijk is de verschillende vormen met elkaar te vergelijken. Ik begrijp ook dat bij taal het puzzelen meer op de loer ligt dan bij iets heel zintuiglijks als beeld, smaak of klank. Alleen al het maken van een verhaal heeft iets puzzeligs. Je wilt wel degelijk iets vertellen en je wilt dat de lezer het verhaal niet alleen snapt maar ook doorleeft, dat hij ook leest wat er niet staat. Dat verstandelijke hoort er heel erg bij.

Toch hou ik van verhalen die even toegankelijk zijn als muziek. Ik begrijp inmiddels het onderscheid tussen thema en onderwerp in een verhaal. Roodkapje is daar eigenlijk een mooi voorbeeld van. Ook als je niet doorhebt dat het gaat over opgroeien is het een verhaal dat je onthoudt en waar je misschien meer van meekrijgt dan je bij eerste lezing zou denken. Ik wil verhalen schrijven waarin je me als maker niet (of niet al te nadrukkelijk) ziet. Verhalen die je al snel kunt snappen, misschien zelfs als je niet meer dan een zomercursus Nederlands hebt gevolgd. Dat is de eerste opdracht aan mezelf.

Refrein
Dichter en vriend Wout Waanders dacht dat we misschien zo onbevangen met muziek omgaan omdat we er gewoon Heel Veel mee te maken hebben. ‘Als iemand je elke dag 20 gedichten zou voorlezen’, zei hij, ‘dan zou je daar ook veel losser mee omspringen.’ De tweede opdracht is om ook meer op die manier te lezen. Om te lezen zoals ik naar muziek luister. Niet nuilen over wat ik niet snap, of denken dat ik buitengesloten wordt. Gewoon de bladzijde omslaan en af en toe roepen: ‘Ik geloof dat ik daar een compositie!’

Hidden track

Ik vond het verschrikkelijk moeilijk een lied (clip) te kiezen bij dit stuk. Omdat het gaat over de toegankelijkheid van muziek en niet over een specifieke artiest of songtekst, kwamen al mijn favoriete nummers en artiesten in aanmerking. Ironisch genoeg was juist de tékst van veel van die nummers een reden om ze zo mooi te vinden, zodat ik mijn stelling dat muziek zo toegankelijk is omdat het geen (minder) een beroep doet op mijn ratio/denken alweer tegenspreek. Toch heeft Die Wellen (lees ook de hele songtekst) gewonnen:

  1. omdat ik nog precies weet waar ik was toen ik het voor het eerst hoorde
  2. omdat het een lied is dat gaat over de zee en ook klinkt als de zee
  3. omdat ik om de laatste regels waarin iemand aan de kust staat en naar de golven roept: ‘Bleibst du jetzt hier? Bleibst du jetzt hier? Bleibst du jetzt hier, oder was?’ eenvoudigweg kan huilen

Als ik echt hard had willen maken dat begrip van de songtekst losstaat van de muzikale beleving, had ik beter Tunak Tunak Tun van Dahler Mehndi kunnen laten zien. Ik versta er geen woord van maar reken maar dat ik hiervan hou.

Zeg iets aardigs:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s