Feeds:
Berichten
Reacties

Ik maak deel uit van een schrijverscollectiefje en gisteravond schreven alle leden een tekst met dezelfde beginzin. De zin is gestolen van schrijfster Felicitas Hoppe. De rest deden we zelf.

Toen onze oom eindelijk begreep dat hij geen keus had, gaf hij ons een teken. ‘Kom maar,’ zei hij, ‘stap maar achterop.’ Hij wees met een rechte wijsvinger naar de bagagedrager. ‘Kom maar.’ We bleven staan waar we stonden. We waren nog jong maar hadden enorm veel ruimtelijk inzicht. Alsof God zich bij onze totstandkoming had vergist in de dosis. We zagen in één oogopslag dat zes jongens en één meisje nooit op één bagagedrager zouden passen.

‘Kom maar’, zei onze oom weer, ‘stap maar achterop.’ We durfden geen van allen iets te zeggen en bewogen evenmin. ‘Kom dan.’ Onze oom sprak ons aan zoals je een hondje aanspreekt. Hij zette de fiets op de standaard en ging ernaast staan, met zijn armen over elkaar. ‘Kom, stap maar op!’ drong hij aan. Hij knikte naar de fiets. Alsof we het wel zouden durven nu hij op een afstandje stond.

En warempel, we hadden ineens de moed. Ook het ruimtelijk inzicht speelde mee, want we berekenden dat als twee van ons op het zadel klommen, één op de stang en één op het stuur, de twee kleinsten nog achterop pasten. Het zou precies lukken, al kon onze oom dan niet mee. Dat zag hij zelf gelukkig ook al snel in. Hij rende nog een stukje achter ons aan terwijl wij als één mens de fiets voortjoegen. Op de hoek bleef hij staan. Buiten adem en met hangende schouders.

Lees nu ook het verhaal van Sebastiaan Andeweg en het gedicht van Wout Waanders.

In het portiek stond een prei te stampvoeten. Hij blokkeerde de weg naar mijn voordeur. Het was een grote prei, hij torende boven me uit. Zijn groene loof raakte bijna het plafond. Het zou me niets verbazen als hij in het weekend uitsmijter was bij een discotheek.
‘Sorry’, zei ik.
De prei draaide zich om.
‘Oh jee’, zei hij.
‘Ik…’
‘Nee ‘tuurlijk.’
Hij stapte opzij. Dat nam me voor hem in. Nadat ik het slot had opengedraaid vroeg ik of hij even binnen wilde komen.
‘Liever niet,’ antwoordde hij, ‘ik heb het niet zo op vreemden.’
‘Ach zo,’ zei ik en een grote, grote droefheid overviel me.

Gisteren stond Waai op Drift. We hadden een eigen kraam, taart en laptops van verschillende afmetingen. Er was techno en je kon je haar laten verven. Ik schreef iets korts.

De Drift-editie van het Waai-zine.

KLAUS HANDELDE IN verkoopargumenten. Hij stond met een kraam op de markt en voor tien euro kon je een verkoopargument bij hem kopen. Drie voor vijfentwintig euro. De mensen stonden lang te aarzelen. ‘Hoe weet ik dat ik waar voor m’n geld krijg?’ zeurden ze. Dan begon Klaus hen over te halen. ‘Met een goed verkoopargument maakt u alles aantrekkelijk,’ zei hij, ‘bijvoorbeeld als u iets op Marktplaats aanbiedt, of op eBay.’ De mensen knikten belangstellend. Ze kwamen dichterbij staan. ‘U kunt dan bijvoorbeeld zeggen dat iets:

•    een goede prijs-kwaliteitverhouding heeft;
•    het leven makkelijker maakt;
•    zichzelf terugverdient;
•    heel veel tijd bespaart, of;
•    onverwoestbaar is.’

De mensen werden enthousiast. Een enkeling haalde een opschrijfboekje of servet tevoorschijn. Ze klopten op hun jassen en groeven in hun tasjes. ‘Heeft u een pen?’ vroegen ze en Klaus gaf hen een pen. Hij had er altijd wel één liggen, hij was dit gewend. De mensen schreven Klaus’ argumenten op. ‘Wat was ook alweer het derde dat u noemde?’ vroegen ze. ‘Dat het zichzelf terugverdient?’ zei Klaus. De mensen schreven het op alsof hun leven ervan afhing want ze hadden haast en de markt stopte om drie uur. Dan gingen ze. Klaus leunde tevreden achterover, want op een bepaalde manier, dat durfde hij best toe te geven, had hij veel succes.

Oranje

Tijdens Oranjepop in Nijmegen maakte het los-vaste schrijverscollectief Waai live een zine. De zon scheen en het eerste aperitief kwam ver voor het avondeten. Ik besloot het luchtig te houden.

Waai maakte tijdens Oranjepop live een zine

De minister-president vroeg de koningin of ze haar jaarlijkse verjaardags-toespraak voortaan wat moderner zou willen presenteren. Bijvoorbeeld met PowerPoint. De koningin aarzelde. Ze voelde er eerlijk gezegd niet veel voor. ‘Kunnen we er geen referendum over houden?’ vroeg ze. De minister-president schudde hevig van niet. ‘We moeten het koningshuis niet te veel democratiseren,’ zei hij, ‘voor u het weet bent u uw jacht kwijt, of de koninklijke stallen. Als u voortaan een PowerPoint wilt houden, dan doét u dat gewoon. U bent verdomme de koningin!’ ‘Yeah!’ riep de koningin vurig, want ze besefte dat zij inderdaad verdomme de koningin was en dat dat privileges met zich meebracht. Ze was dat in de loop der tijd bijna vergeten. ‘Een PowerPoint dus’, zei de minister-president. ‘Nou…’, protesteerde de koningin, maar de minister-president hoorde het al niet meer. Hij liep de trappen van het paleis af. De koningin keek hem na door het raam. Zijn zwarte lakschoenen glansden in de vroege lentezon.

In de koningin was nu iets wakker geschud. Ze prevelde steeds vaker ‘Ik ben verdomme de koningin’. Ook als niemand het hoorde. En ze begon meer te willen. Dingen die ze eerder niet durfde te willen. Ze wilde bijvoorbeeld bij een motorclub en ze wilde geen steunzolen meer dragen, want die zaten niet lekker. En als de podotherapeut dan zei dat het volk er op de lange termijn niks aan had, een koningin die slecht ter been was, dan schudde de koningin eigenwijs haar hoofd en zei: ‘Ik ben verdomme de koningin’ en dan stak ze een sigaret op, gewoon in de behandelruimte, om haar uitspraak kracht bij te zetten.

Ondertussen naderde de verjaardag van de koningin en ze had nog geen PowerPoint gemaakt. Ze was veel te druk geweest met dingen wel en niet willen en hele sloffen sigaretten roken en motorbeurzen bezoeken en winkelen om zich daarmee bezig te houden. Ook begon ze vijandige gevoelens jegens het volk te ontwikkelen. Het leek haar dat het volk haar vooral wilde dwarsbomen en ze wist eigenlijk niks aardigs of bemoedigends te verzinnen voor in haar toespraak. Ze kon natuurlijk de hulp van de minister-president inschakelen, want die schreef vaker haar toespraken, maar dat wilde ze niet en ze was verdomme de koningin.

Dus toen de verjaardag van de koningin aanbrak en zij het zaaltje in het gemeentehuis betrad waar ze de toespraak zou houden, wist niemand wat hij kon verwachten. De koningin droeg hoge hakken waardoor heur haar de bovenkant van de deurpost raakte en een beetje scheef zakte. Ze zag eruit alsof ze een nachtje had doorgehaald. Er zat mascara op haar wang. Uit haar handtas diepte ze een USB-stick op. De journalisten die de eerste vier rijen bezetten, wachtten gespannen af. Ze schoven op hun stoelen en klikten hun opnameapparaten aan en uit terwijl een technicus de computer opstartte en een wit projectiescherm liet zakken. De minister-president speelde nerveus met de punt van zijn stropdas. Hij had de koningin vooraf om een printje van de presentatie gevraagd maar dat niet gekregen. Met hoe ze zich de laatste tijd gedroeg kon ze tot alles in staat zijn.

Toen alles klaarstond pakte de koningin de microfoon. Ze had haar nagels oranje gelakt. ‘Landgenoten,’ begon ze. Recorders klikten aan. ‘Mijn toespraak van vandaag telt maar één sheet… Heet het een sheet?’ onderbrak ze zichzelf en keek naar de minister-president. Die knikte. ‘Eén sheet dus.’ Ze drukte op F5. Op het scherm verscheen een korte tekst in een sierlijk lettertype.

'Ik ben verdomme de koningin, en ik heb er geen zin meer in'

Het publiek hapte naar adem en de minister-president werd bleek. Hij wilde het podium opspringen maar precies op dat moment gingen de deuren open en reed een brullende motor naar binnen. De koningin zette haar haar af en een helm op en klom achterop de motor die haar naar het dichtstbijzijnde vliegveld reed.

En wat begon met een onschuldig verzoek van de minister-president eindigde die dag met een vlucht met easyJet, de meest oranje luchtvaartmaatschappij van Europa. Want hoe losbandig de koningin ook geworden was, als het om oranje ging, bleef zij erg traditioneel.

Bert

‘Ik wil een vriend of vriendin’, zei Bert, ‘bij wie ik in de rokken kan schuilen en uit kan huilen en die een kruikje voor me maakt als het koud is.’
‘Jij wilt geen vriend,’ zei ik, ‘jij wilt een moeder.’
‘Ik heb al een moeder’, zei Bert.
‘Én je wilt er één’, zei ik.

‘Ik wil een vriend of vriendin’, zei Bert, ‘die het niet erg vindt dat ik vieze moppen vertel en mijn nagels in de woonkamer knip, en die houdt van mijn verse pasta.’
‘Dat moet lukken’, zei ik en wenkte een meisje dat even verderop stond te bellen. Ze was de enige andere in de snackbar. Zonder op te hangen liep ze naar ons toe.
‘Hij wil een vriend of vriendin’, zei ik, ‘die hem neemt met zijn goede én slechte kanten.’
Het meisje wierp een blik op Bert, keek onder de tafel naar zijn benen en schoenen en zei toen: ‘Dat kan ik wel, maar eerst wil ik dit telefoongesprek afmaken.’
‘Geregeld!’ zei ik triomfantelijk toen ze een eindje wegliep, en ik klapte in mijn handen zoals de leraar Engels dat altijd deed als hij met krijt op het bord had geschreven en stoffige vingers had.

Bert keek ontevreden. Hij zei niks.
‘Wat is er?’ vroeg ik.
‘Ik wil mijn vrienden zelf kunnen kiezen’, zei hij.
Ik stond op van mijn stoel.
‘Dan zoek je ’t maar uit hoor’, zei ik.
Het meisje had net haar telefoon opgeborgen en kwam weer terug.
‘Laat hem maar even,’ zei ik terwijl ik een arm om haar heen sloeg, ‘hij heeft wat dingen om over na te denken.’
‘Wacht,’ zei Bert, ‘wat gaan jullie doen?’
‘Italiaans ijs eten,’ zei het meisje, ‘in de stad.’
‘Echt waar?’ zei Bert.
Ik keek op mijn horloge.
‘Dan moeten we wel opschieten’, zei ik tegen het meisje. ‘Hoe heet je eigenlijk?’
‘Sophie’, antwoordde ze.
‘Wat een mooie naam’, zei Bert. Hij begon zijn jas aan te trekken. Dat ging moeizaam want hij zat nog.

‘Ik zie je later, Bert’, zei ik. ‘Don’t call us, we’ll call you…’
Sophie lachte.
‘Oké’, zei Bert. Hij bleef met zijn jas aan zitten.
Sophie en ik waren nog steeds gearmd. We liepen naar de uitgang. Op straat was het warm.
‘Wat neem jij?’ vroeg Sophie.
‘Perzik-chocola,’ zei ik, ‘en jij?’
‘Peer.’

Groepsfoto snorren

De snorren zaten te klieren. ‘Als jullie niet ophouden maak ik een groepsfoto’, riep ik. The rest is history.

Ganzenveren

‘Zoiets zou ik nooit zeggen’, zegt de dame van de bedmodezaak in haar telefoon. ‘Sterker nog, ik zou niet dood gevonden willen worden met die woorden op mijn lippen bestorven.’
Vanuit mijn ooghoek zie ik dat Jacques fronst.

Ganzenveertje

De telefoon is nog van zo’n model dat je kunt dichtklappen, want na die woorden klapt de dame hem demonstratief met één hand dicht en schuift hem in haar tasje.
‘Hoe zou dit matchen bij jullie gordijnen?’ vraagt ze ons direct, alsof zij al een tijdje op ons heeft staan wachten in plaats van andersom.
Uit een stapel dekbedovertrekken sjort ze er één waarop ganzenveertjes getekend zijn. Met fijne potloodstreepjes. Het roept de associatie met Marjolein Bastin op.
‘Het is een geruststellend dekbedovertrek,’ aarzel ik, ‘maar ik denk niet dat het de passie in ons liefdesleven zal aanwakkeren.’
Jacques knikt.
‘Aha,’ zegt de dame van de bedmodezaak en denkt even na. Ze houdt het dekbedovertrek een stukje van zich af waardoor het openvalt. Om het helemaal uit te vouwen schudt ze er een paar keer krachtig mee en trekt tenslotte de stof strak. Dan drukt ze het overtrek vol overgave tegen zich aan. Ze begint het hartstochtelijk te kussen. Er verschijnen rode vlekken van haar lippenstift. Ze lijkt ons helemaal te vergeten, zelfs haar tong gebruikt ze bij het kussen. Ze heeft lang op dit moment gewacht, dat merk je aan alles. Haar haar raakt ervan door de war terwijl het eerder zo netjes zat. Ik weet het nog precies want ik stootte Jacques aan en zei ‘m’n haar glanst’, en deed een vrouw uit een televisiereclame na.

Ganzenveertjes

Het haar van de dame is dof aan het worden door alle wrijving met het dekbedovertrek. Ze maakt de bovenste knoopjes van haar blouse los zonder te stoppen met kussen. Jacques wil al ingrijpen maar het blijft bij die bovenste knoopjes. Langzaam zakt ze, met het dekbedovertrek tegen zich aangedrukt, naar de vloer. Overal zitten rode strepen. De passie spat er vanaf op een manier die je niet vaak ziet in bedmodezaken. Ze kronkelt aan onze voeten. We kijken op haar neer alsof we vanuit het heelal op de aarde kijken.

Nog een ganzenveertje

‘Stop maar’, zegt Jacques na een tijdje. ‘We nemen hem.’
De dame van de bedmodezaak staat op. Haar hele houding straalt teleurstelling uit. Ze herschikt zo goed en kwaad als het gaat haar haren. Ook strijkt ze haar rokje glad. Dan raapt ze het overtrek van de grond. Er hangen wat stofvlokken aan. Slordig vouwt ze het een paar keer dubbel. Haar telefoon gaat.
‘Deze moet ik even nemen,’ zegt ze zonder op het display te kijken. Ze drukt het overtrek in Jacques handen en strompelt weg alsof ze dronken is.
In haar panty zit een ladder.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.